Bossche School

Jan de Jong beschreef in 'De Bossche School en het bouwen' (februari 1997) het unieke karakter van de Bossche School als volgt:

'Als men met enkele woorden poogt de essentie van de Bossche School met betrekking tot de kunst in het algemeen en het bouwen in het bijzonder weer wil geven dan zou men dat als volgt kunnen doen. Steunend op authentieke klassieke beginselen beoogt zij de menselijke maaksels op te nemen in een intellectuele orde welke, als orde, door ons verstand gekend kan worden. Het verstand staat hierbij (in hoofdzaak) niet in dienst van onze stoffelijk behoeften, maar in dienst van onze geestelijke behoeften. Het verstand zoekt zich zelf, als verstand, te kennen. Nu kent ons verstand niet de individuele stoffelijke vormen. Het kent alleen de algemene vormen. Deze vormen worden daartoe a.h.w. losgemaakt (geabstraheerd) van de stof. (...) Die vormen kunnen nu opgenomen worden in ons bestaan en betekenen daar een vervolmaking van dat bestaan. Volstrekt algemeen in de stoffelijke vormen is dat zij afmetingen hebben. Het huis is een samenspel van plastische en ruimtelijke vormen. Deze vormen kunnen gekend worden door hun afmetingen in de drie dimensies. Het gaat dus om een verstandelijk kennen van de afmetingen welke daarvoor opgenomen moeten worden in een orde van afmetingen welke alle delen van het huis op een kenbare wijze op elkaar betrekt middels een maatstaf welke door het huis zelf gegeven wordt door het z.g. kleinste kwantum. De vakkundige verwerking van dit procedé laat ik hierbij vanwege de omvang achterwege.

Deze wijze van vormgeven is volstrekt uniek in onze huidige maatschappij welke zich tevreden stelt met een louter materiële vormgeving (waaronder ook te verstaan de romantisch gevoelsmatige vormgeving) welke uitsluitend in dienst staat van het existentiële bestaan, maar het geestelijke bestaan miskent of althans schromelijk verwaarloost. (...) Het „omgaan” met de beoogde geestelijk-stoffelijke vormwereld vraagt een bepaalde discipline en ascese.

Het vraagt n.l. het afwijzen en beperken van die vormgevingen welke krachtens hun doelstelling of krachtens hun onvermogen niet geschikt, of in staat zijn, om deze stoffelijk geestelijke vormenwereld tot stand te brengen. Hierdoor zijn zij van geen nut, of zelfs schadelijk voor de verheffing van dat gedeelte van het bestaan wat aan ons zelf toegewezen is. (...)'

Het ging hem erom architectuur te maken die het stoffelijke met het geestelijke, het beeldende met het existentiële verbindt. ‘Kolommen dienen om een huis te dragen en om een maatvoering tot stand te brengen. Pas als je niet meer kunt merken welke van de twee op de eerste plaats komt is een optimum bereikt.’